De gemeente Lansingerland voert een groot aantal grondexploitaties, zowel voor woningbouw als voor bedrijfsterreinen. Per 1-1-2017 heeft Lansingerland 14 lopende grondexploitaties, zie onderstaand overzicht. In 2017 sloten we geen grondexploitaties af. We sluiten projecten af wanneer 100% van de opbrengsten gerealiseerd zijn en 90% van de kosten.
| Kern |
Woningbouw |
Bedrijven-terreinen |
Centrum-ontwikkeling |
Overig |
| Berkel en Rodenrijs |
Meerpolder |
Oudeland |
Berkel Centrum |
|
| Westpolder/Bolwerk |
| Rodenrijse Zoom |
| RvR Groenzoom |
| Bergschenhoek |
Wilderszijde (doorlopende deel) |
Leeuwenhoekweg |
Bergschenhoek Centrum |
Landscheidingspark Horeca |
| Parkzoom |
| Kavels Boterdorp |
| Bleiswijk |
De Tuinen |
|
Vluchtheuvel |
|

In juni 2017 stelde de raad, gelijktijdig met de Jaarrekening 2016, de Meerjaren Prognose Grondexploitaties (MPG) 2017 vast. Per 1-1-2018 heeft een volledige herziening van alle grondexploitaties plaatsgevonden. Hierbij zijn de parameters opnieuw vastgesteld, de boekwaarden verwerkt, de ramingen voor nog te maken kosten en opbrengsten waar nodig bijgesteld en is ook de fasering aangepast aan de huidige inzichten.
In het MPG 2018 worden de (algemene) uitgangspunten, marktontwikkelingen en alle grondexploitaties nader toegelicht. Hierbij wordt ook ingegaan op de verschillen ten opzichte van het MPG 2017 en de aan de grondexploitaties verbonden risico’s.
Resultaat MPG 2018
De totaalresultaten van het MPG 2018 zijn als volgt weer te geven:
Tabel actualisatie grondexploitaties (in miljoenen €)
| |
MPG 2018
Nominale waarde
|
MPG 2018
Rente en indexering
(toekomstbestendig)
|
MPG 2018
Eindwaarde
|
MPG 2018
NCW
per 1-1-2018
|
| Totaal negatieve grondexploitaties |
€ -44,17 |
€ -6,38 |
€ -50,56 |
€ - 45,63 |
| Totaal positieve grondexploitaties |
€ 19,37 |
€ -14,65 |
€ 4,71 |
€ 3,35 |
| Totaal alle grondexploitaties |
€ -24,81 |
€ -21,04 |
€ -45,84 |
€ - 42,29 |
Conform de notitie Grondexploitaties van de commissie BBV zijn de resultaten in bovenstaande tabel ook weergegeven op nominale waarde. Bij de nominale waarde wordt geen rekening gehouden met toekomstige rente en indexering van kosten en opbrengsten. In de eindwaarde is hier wel rekening mee gehouden. Bij de netto contante waarde wordt dit resultaat op eindwaarde teruggerekend naar het heden (prijspeil 1-1-2017), waarmee de resultaten van de grondexploitaties onderling vergelijkbaar zijn.
Ten opzichte van de het MPG 2017 is het resultaat van het MPG 2018 – na winstneming - afgenomen met ca. € 0,74 mln miljoen.
Let op: Dit bedrag is inclusief een (verplichte) tussentijdse winstneming voor Rodenrijse Zoom en Scholen Boterdorp van in totaal € 1,09 mln. Deze winstnemingen zijn als kosten in de grondexploitaties verwerkt, en worden als positieve resultaten vermeld in het betreffende jaarrekeningresultaat.
| Tabel actualisatie grondexploitaties (in miljoenen €) |
|
|
|
|
Prijspeil
|
A= MPG 2017 / JR 2016 01-01-17
|
B= MPG 2018 / JR 2017 01-01-18
|
C= Verschil B t.o.v. A
|
| Totaal negatieve grexen op NCW per 1-1-2017 |
€ -45,47 |
€ -45,63 |
€ -0,16 |
| Totaal positieve grexen op NCW |
€ 3,91 |
€ 3,35 |
€ -0,57 |
| Totaal op NCW |
€ -41,55 |
€ -42,29 |
€ 0,74 |
Verschillenverklaring
Het verschil in resultaat ten opzichte van het MPG 2017 wordt onder meer veroorzaakt door de volgende belangrijkste wijzigingen:
Algemeen:
- VTA: verhoging van het interne uur tarief van € 111 naar € 118 als gevolg van hogere loon- en overheadskosten (nadelig effect);
- Opbrengstenstijging woningbouw: neerwaartse bijstelling van de parameter voor de opbrengstenstijging voor woningbouw van 2% naar 1% voor de periode 2022 t/m 2027 (nadelig effect, tenzij opbrengstenstijging contractueel vastgelegd. In dat geval geldt het contract);
- Vrijval onvoorzien / risicoreservering naar mate project vordert: voor een aantal grote projecten geldt dat deze in een meer afrondende fase komen. Hiermee komt meer zicht op de laatste te realiseren kosten en opbrengsten. Deze kunnen nauwkeuriger worden ingeschat en het risico op onvoorziene tegenvallers neemt af. Dit leidt in een aantal gevallen, zoals nu bij De Tuinen, Parkzoom en Meerpolder, tot gedeeltelijke vrijval van bijvoorbeeld de posten onvoorzien (kosten) en de gereserveerde financiële ruimte voor evt. programmawijzigingen en/of onderhandelingen (opbrengsten). Beide hebben een voordelig effect op het resultaat;
- Tussentijdse winstneming (positieve grexen): zie toelichting op de balans;
- Rentetoerekening en indexatie over 2017: dit was in de grondexploitaties reeds voorzien, maar leidt op nominale waarde tot een verschil (wijziging prijspeil van 2017 naar 2018).
Projecten:
Op projectniveau heeft zich ten opzichte van 2017 de grootste wijziging voorgedaan in het project Berkel Centrum. De geraamde kosten voor CTW en VTA zijn aanzienlijk verhoogd door een afname van het aantal uitgeefbare meters, een hoger kwaliteitsniveau van de openbare ruimte en maatregelen voor een goede verkeersafwikkeling. In totaal verslechtert het resultaat met ca. € 3,9 mln op netto contante waarde.
Voor meer informatie over de verschillen en de overige projecten wordt verwezen naar de het MPG 2018 en de toelichtingen per project.
Tussentijdse winstneming
Het BBV schrijft een tussentijdse winstneming voor bij winstgevende projecten, naar rato van de voortgang. De regelgeving omtrent deze tussentijdse winstneming is in 2017 aangescherpt en de methodiek van de winstbepaling wordt landelijk toegepast. Dit wijkt af van het tot op heden door de gemeente Lansingerland gehanteerde beleid dat we pas resultaat boeken (winstnemen) bij afsluiting. Waarbij we pas afsluiten en winstnemen indien alle opbrengsten zijn gerealiseerd en tenminste 90% van de kosten.
Voor het tussentijds winstnemen gelden 3 voorwaarden:
- Het resultaat op de grondexploitatie kan betrouwbaar worden ingeschat; én
- De grond (of het deelperceel) moet zijn verkocht; én
- De kosten zijn gerealiseerd (winst wordt naar rato van de realisatie gerealiseerd).
De hoogte van de tussentijdse winstneming wordt, per project, bepaald op basis van het zogenaamde percentage of completion (POC). Eventuele onzekerheden (risico’s) mogen hierop in mindering worden gebracht.
Op basis van bovenstaande is bij de Jaarrekening 2017 in totaal ca. € 1,09 mln aan tussentijdse winst genomen. Dit betreft de volgende grondexploitaties:
- Scholen Boterdorp € 0,52 mln
- Rodenrijse Zoom € 0,57 mln
Het project Oudeland kent ook een positief resultaat. De nog te realiseren opbrengsten en de daarmee gepaard gaande risico’s zijn echter dusdanig van omvang, dat een tussentijdse winstneming voor dit project niet verantwoord is.
De tussentijdse winstneming is bij de actualisatie als kostenpost opgenomen in de grondexploitaties en toegevoegd aan de algemene reserve. De gepresenteerde resultaten van de betreffende (positieve) grondexploitaties en het MPG 2018 zijn hierdoor lager.
Verwerking van tekort en totaal voordeel
Het tekort op de grondexploitaties neemt af. Voor het tekort, ofwel het totaal aan verliesgevende grondexploitaties, moet een verliesvoorziening aanwezig zijn. Op grond van het MPG 2017 was op basis van het totaal van de verliesgevende grondexploitaties een verliesvoorziening benodigd van € 45,47 miljoen. Per 31-12-2017 is een verliesvoorziening benodigd van 45,63 mln. Dat betekent dat bij de Jaarrekening 2017 per saldo een bedrag van € 0,16 vanuit algemene reserve moet worden toegevoegd aan deze voorziening. In de Begroting 2017 is al rekening gehouden met een toename van de voorziening (a.g.v. de contante waarde) van ca. € 0,79 mln. Hiervan kan nu dus een deel vrijvallen.
Per saldo komt het totale voordeel a.g.v. de actualisatie daarmee per 31-12-2017 op:
€ 1,09 mln Tussentijdse winstneming (zie toelichting op de balans)
-/- € 0,16 mln Toevoeging aan verliesvoorziening
+ € 0,79 mln Vrijval verwachte toename voorziening o.b.v. Begroting 2017
=================================================================
€ 1,72 mln.
Conform de beleidslijn zoals opgenomen in de nota Reserves en Voorzieningen 2016 is de vrijval van de verliesvoorziening per 31-12-2017 bij de Jaarrekening 2017 vóór resultaatsbestemming toegevoegd aan de algemene reserve. Dit geldt ook voor de tussentijdse winstneming.
BBV en 10 jaars termijn
Het BBV geeft bepalingen en richtlijnen voor de gemeentelijke grondexploitaties. Eén van deze bepalingen heeft betrekking op de looptijd van een grondexploitaties. Deze luidt als volgt:
“Om de risico’s die samenhangen met zeer lang lopende projecten te beperken mag de looptijd van een grondexploitatiecomplex maximaal 10 jaar bedragen.
Deze termijn wordt gehanteerd als richttermijn, die voortschrijdend moet worden bezien en waar alleen gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat deze motivatie is geautoriseerd door de raad en verantwoord in de begroting en jaarstukken. De motivatie moet tevens zijn voorzien van risico-beperkende beheersmaatregelen die de gemeente heeft genomen om de onzekerheden en risico’s die gepaard gaan met de langere looptijd te mitigeren.”
Risicobeperkende beheersmaatregelen Oudeland
Lansingerland kent op dit moment 1 grondexploitatie met een looptijd langer dan 10 jaar: Oudeland. De grondexploitatie Oudeland loopt tot en met 31-12-2036 en overschrijdt daarmee de richttermijn van 10 jaar. Om de risico’s van de (lange termijn) ontwikkeling van Oudeland te beheersen heeft de gemeente de volgende maatregelen getroffen en vastgesteld via het MPG 2017:
- Niet meer indexeren opbrengsten na 10 jaar (= conform de door de commissie BBV aangedragen voorbeeld maatregel);
- Financieel beleidsuitgangspunt dat er geen onnodige uitgaven voor bijvoorbeeld bouw- en woonrijp maken worden gedaan voordat er voldoende zekerheid is t.a.v. de nog te verwachten opbrengsten; we proberen de boekwaarde van de grondexploitatie (behoudens de rente) dus zo minimaal mogelijk te laten doen toenemen;
- Periodiek vindt er marktonderzoek plaats en worden deze gegevens gebruikt bij het toetsen of de gehanteerde uitgangspunten voor tempo van afzet en grondprijs nog realistisch zijn. Indien nodig vindt bijstelling van de grondexploitatie plaats. De huidige fasering en looptijd van Oudeland sluit aan bij het meest recente onderzoek (uit 2015);
- De fasering van de uitgifte is gebaseerd op een voorzichtige, gemiddelde uitgifte van 1,5-3 ha per jaar. Bij uitgifte van grotere kavels kan de looptijd mogelijk worden verkort;
- Er wordt een actief acquisitie/verkoopbeleid gevoerd waarbij resultaten worden gemonitord en waar nodig zijn speciale instrumenten (zoals koop op afbetaling en/of een korting op de grondprijs bij afname van (zeer) grote kavels) inzetbaar om de afzet van grond te realiseren. De voorwaarden van deze instrumenten zijn vastgelegd in de nota Grondbeleid 2015-2018;
- We bepalen bij iedere actualisatie het risicoprofiel van Oudeland (waaronder vertraging in afzet, en/of lagere prijzen. Op basis van het risicoprofiel is een benodigde weerstandscapaciteit bepaalt voor Oudeland. Dit is een belangrijk onderdeel van de totaal benodigde weerstandscapaciteit van de gemeente (zie Kadernota 2018 en de Jaarstukken 2017). Gezien de ontwikkeling van de weerstandsratio en het meer dan sluitend zijn van de begroting kunnen we tegenvallers binnen Oudeland opvangen als gemeente.
Ten opzichte van het MPG 2017 zijn er voor Oudeland op basis van de huidige marktomstandigheden en gesloten verkoop- en optieovereenkomsten 2 wijzigingen doorgevoerd die een relatie hebben met bovenstaande risicobeperkende beheersmaatregelen:
- De eerste wijziging is het naar voren halen van de kosten voor het bouwrijpmaken van fase 2, zoals ook toegelicht in het vorige hoofdstuk. Het is van belang na het sluiten van een verkoopovereenkomst snel te kunnen leveren. De oorspronkelijke fasering van de kosten was gekoppeld aan de gemiddelde uitgifte. Op basis van de getekende, betaalde optieovereenkomsten is de verwachting dat de uitgifte wordt versneld door verkoop van grotere kavels ineens. Het niet snel, in bouwrijpe staat, kunnen leveren van de gronden, leidt tot een ongewenst afbreukrisico voor de te sluiten verkoopovereenkomsten. Het financiële effect van deze wijziging is op basis van de huidige parameters voor rente (2,15%) en kostenstijging (2%) zeer beperkt.
- De tweede wijziging is dat het we bij het risicoprofiel van Oudeland er niet meer vanuit gaan dat fase 2 in zijn geheel niet meer zal worden ontwikkeld. Op basis van reeds gesloten verkoop- en reserveringsovereenkomsten en huidige marktomstandigheden achten wij dit scenario niet meer realistisch. Wel is er in de risicoanalyse nog rekening gehouden met mogelijke vertraging, daling van de grondprijzen en/of het niet (volledig) kunnen uitgeven van incourante restkavels.
Vennootschapsbelasting
De Wet modernisering Vpb-plicht overheidsondernemingen bepaalt dat ook gemeenten vennootschapsbelasting moeten betalen over ondernemersactiviteiten. Hier vallen in beginsel ook de (actieve) grondexploitaties onder. Via de Quickscan Winstoogmerk grondbedrijven wordt jaarlijks getoetst of er sprake is van een onderneming. Op basis van een advies van PriceWaterhouseCoopers (PWC, 2016) en de cijfers uit de Actualisatie Grondexploitaties en het MPG 2017 gaan we er op dit moment vanuit dat dit voor Lansingerland nu niet het geval is. Dit standpunt wordt onderschreven door onze huidige (externe) fiscaal adviseur. Op basis van de cijfers uit het MPG 2018 voeren wij in 2018 opnieuw een toets uit en vullen wij ons Vpb-dossier met de uitkomsten van deze toets aan.
Eind 2016 lichtten wij ons standpunt aan de Belastingdienst toe. De Belastingdienst herkende de situatie van de gemeente Lansingerland (tekorten op de grondexploitaties), herkende de toegepaste methode om tot ons standpunt te komen (quick scan grondbedrijf) en gaf aan dat voor veel andere gemeenten hier ook sprake van is. In 2017 hebben wij een “nihil”-aangifte ingediend bij de Belastingdienst voor het jaar 2016 en namen daarmee formeel een standpunt in richting de Belastingdienst. Hier hebben wij nog geen reactie op ontvangen.
Binnen de Belastingdienst en andere gemeenten is op dit moment nog veel onduidelijk over de Vpb in relatie tot het grondbedrijf. In de praktijk zien we dat de bestaande handreikingen op verschillende manieren kunnen en worden geïnterpreteerd (bijvoorbeeld als het gaat om toerekening van historische rente, bijdragen uit het verleden etc.) en twee jaar na invoering van de Vpb ook nog nieuwe handreikingen verschijnen die wederom op verschillende manieren kunnen en worden geïnterpreteerd. Wij achten ons standpunt dat wij niet door “de poort” gaan nog steeds reëel en onderbouwd. In de Begroting geven we in de paragraaf Weerstandsvermogen inzicht in scenario’s (onzekere gebeurtenissen) die zich kunnen voordoen en het mogelijke effect hiervan op de begroting. Hierbij is ook een indicatie van het mogelijke effect van de Vpb meegenomen indien wij wel door de zogeheten ondernemerspoort komen.